Veeleisende
vulling :
ideaal restauratiemateriaal bestaat nog niet
De ideale vulling moet aan zoveel eisen voldoen dat tandheelkundigen de komende decennia nog wel op zoek blijven naar nieuw restauratiemateriaal
Schattingen wijzen uit dat er jaarlijks
meer dan 25.000 nieuwe artikelen in internationale
tandheelkundige tijdschriften verschijnen. En onlangs konden op
een recent wetenschappelijk congres in Vancouver ruim 3800
voordrachten en postersessies worden bezocht. Beide feiten tonen
aan dat, net als in andere vakgebieden van de medische
wetenschap, ook in de tandheelkunde sprake is van een
informatie-explosie waarvan, dat lijkt waarschijnlijk, het einde
nog niet in zicht is. Voor wetenschappers in een bepaalde
tandheelkundige discipline wordt het steeds moeilijker overzicht
op hun vak te houden en voor de tandarts in de praktijk, die
geacht wordt adequaat patiëntenvragen over nieuwe ontwikkelingen
te kunnen beantwoorden, eigenlijk onmogelijk. Duidelijk is dat er
binnen de tandheelkundige wereld grote behoefte bestaat aan
overzichtsartikelen, maar dat het schrijven ervan allang geen
eenvoudige zaak meer is.
Een goed voorbeeld van een dergelijk artikel verscheen in april
1999, in jaargang 106, van het Nederlands Tijdschrift voor
Tandheelkunde. Het onderwerp betrof de problematiek van nieuwe,
direct aangebrachte, niet metalen vulmaterialen. De auteurs
stellen vast dat er wereldwijd een groeiend bewustzijn is
ontstaan omtrent de mogelijke giftige effecten van voeding,
medicijnen en biomaterialen die in het lichaam worden
aangebracht. Dat laatste onderwerp is voor de tandheelkunde
uiterst relevant hetgeen moge blijken uit de vorig jaar weer
opgerakelde discussie over de, controversiële, kwestie van de
mogelijk toxische bijwerkingen van zilveramalgaamvullingen. Vast staat dat het ideale
vulmateriaal (nog) niet bestaat
en dat men er al ruim twee eeuwen naarstig naar op zoek is.
Hier worden dan vulmaterialen bedoeld die direct in de mond worden geplaatst en niet de soorten restauraties
die er buiten worden vervaardigd zoals kronen of bruggen. Maar
tandartsen, toxicologen en materiaalkundigen zijn het er wel over
eens aan welke eisen een dergelijk direct vulmateriaal zou moe
ten voldoen. De pretenties zijn overigens niet gering en dat
maakt nog eens duidelijk dat er geen idealer vulmateriaal bestaat
dan ons eigen glazuur op onze natuurlijke gebitselementen.
Enkele voorwaarden van de deskundigen zijn onder meer dat het
vulmateriaal weefselvriendelijk moet zijn, dat het moet kunnen worden aangebracht
zonder dat er met de boor te veel gezond tandweefsel moet worden
verwijderd, dat de kleur moet lijken op het aangrenzende tandweefsel, dat
het op de röntgenfoto moet zijn te zien, dat het gemakkelijk moet zijn te
verwerken en niet mag krimpen, slijtvast en stabiel moet zijn en lange tijd in de mond bewaard moet kunnen blijven. Tenslotte
moet het materiaal in staat zijn fluoride
af te geven, omdat deze stof een gunstige werking heeft op het
omringende overgebleven tandmateriaal.
Geen van de thans
verkrijgbare, directe restauratiematerialen kan aan al deze
genoemde eisen voldoen.
Composieten:
Maar het onderzoek er naar is in volle gang. Het lijkt erop dat
de tandkleurige composietmaterialen op kunstharsbasis tegenwoordig al een hoge
kwaliteit hebben. Deze stoffen zijn in de jaren negentig
belangrijke vulmaterialen geworden. Vooral als het gaat om het
vullen van gaatjes voor in de mond. Verder worden zij beschouwd
als een goed altematief voor het gebruik van zilver-amalgaam bij
kleine restauraties achter in de mond. De verwerking ervan is
overigens niet altijd gemakkelijk.
Glasionomeer-cementen:
De vanaf 1975 verkrijgbare glasionomeer-cementen, stoffen die
veel eigenschappen bezitten die overeenkomen met natuurlijk
glazuur, blijken alleen nog bruikbaar voor het maken van kleine
vullingen. Volgens de auteurs beweegt de richting van het
internationale universitaire onderzoek, vaak gesteund door de
overheid en de industrie, zich tegenwoordig vooral naar nieuwe
typen composieten. Het tegengaan van krimp na verwerking zou de
belangrijkste eigenschap moeten zijn. Als dat probleem niet wordt
opgelost blijft de kans op lekkage van de vulling nog steeds
aanwezig. Tijdens de zoektocht naar het ideale vulmateriaal wordt
gebruik gemaakt van gemodificeerde kunstharsen, met voor de niet
in de chemie ingevoerde leek mysterieuze namen, zoals
nanodeeltjes, cyclische siliconenverbindingen,
orthospirocarbonaten en epoxiden.
De auteurs constateren, kennelijk uit de overtuiging dat
tandbederf ook in de komende eeuw niet zal verdwijnen, dat de
wens naar gemakkelijk verwerkbare, directe, vulmaterialen in de
toekomst groot zal zijn. Met name de vele gezonde en actievere
ouderen, die nog niet hebben geprofiteerd van de preventieve
aanpak uit het laatste deel van de twintigste eeuw, zullen
behoefte hebben aan meer esthetische, tandkleurige restauraties.
Ook in ontwikkelingslanden bestaat grote behoefte aan deze
soorten gebruiksvriendelijke, semi-permanente
vulmaterialen."
Bron : NRC Handelsblad, 28-08-99